literatuur met een moraal: Marjolijn februari – De Literaire Kring

Vorige week had ik het op weinig vleiende wijze over De Utopisten van Louise O. Fresco. Tevens maakte ik een vergelijking met een boek dat mij, in tegenstelling tot Fresco’s roman, nu eens wél heeft weten te bekoren, dit bijna ondanks het feit dat het in 2008 ook genomineerd was voor zowel de Libris als de AKO-literatuurprijs. Op het woordje ‘ondanks’ kom ik later nog wel een keer terug.
Want nu wil ik het hebben over De Literaire Kring van Marjolijn Februari. Marjolijn Februari. Marjolijn Februari. Het blijft een curieuze naam. In het dagelijks leven heet deze hooggeleerde dame overigens Marjolijn Drenth, maar dat geheel terzijde. Ik wilde het dus over haar boek hebben. In De Literaire Kring wordt op pijnlijke wijze de zelfgenoegzaamheid en de hypocrisie van de intellectuele elite aan de kaak gesteld. Een select groepje onuitstaanbare notabelen komt eens per maand samen in wat ze zelf ‘een literaire kring’ noemen, om hoogstaande wereldliteratuur te bespreken. In feite hetzelfde als wat ik hier doe, maar dan met meerdere bollebozen bij elkaar. Alleen heeft deze kring, in tegenstelling tot schrijver dezes, een stinkend lijk in de kast.
Tijdens en na het lezen van dit boek, kende ik de nodige frustratie. En dat is in dit geval nu eens positief bedoeld. Frustratie ervaar ik wel vaker tijdens het lezen van een goed boek, in de trant van ‘verdomd, ik wou dat ik dit had bedacht!’, maar in dit geval overviel mij dit gevoel vanwege Het Grote Geheel van het vertelde; De Moraal dus. Echt waar. Naar mijn gevoel voert in De Literaire Kring het morele dilemma de boventoon. Jawel, een boek met een moraal! Een geangageerde roman! En nog meer reden tot juichen, want: dit engagement wordt nergens irritant! De personages daarentegen des te meer. Dat is op zich al knap.
Het morele dilemma behelst in dit boek meerdere facetten, maar komt vooral neer op de vragen: wie is schuldig, wie is verantwoordelijk en wie is er het hypocrietst? Overduidelijk zijn dat de in het boek ten tonele gevoerde leden van de eerdergenoemde literaire kring in het lommerrijke dorp waar het verhaal zich afspeelt. Deze leden, met name het personage Randolf Pellikaan, wekken soms grote ergernis op, hetgeen ook weer positief bedoeld is, want Marjolijn Februari is erg bedreven in het neerzetten van hypocriete personages. Randolf bijvoorbeeld, bekleedt een hoge positie in het juridisch-academisch milieu, heeft over de meest uiteenlopende maatschappelijke, poitieke en culturele thema’s altijd een uiterst intellectuele mening paraat en is daarbij min of meer medeplichtig aan doodslag op tachtig kinderen in Haïti. Dit omdat hij in het verleden een ander toenmalig lid van de literaire kring van juridisch advies heeft voorzien omtrent de verkoop van vervuilde glycerine, die vervolgens gebruikt werd als bestanddeel van hoestdrank. Door inname van die hoestdrank zijn die kinderen hoogstwaarschijnlijk om het leven gekomen. Nadat de hele zaak naar buiten was gekomen en desbetreffend lid –Erik de Winter- was afgeserveerd maar verder niet vervolgd, royeerde Randolf hem als lid van de literaire kring, een daad waarmee hij zijn hypocriete rotheid maar weer eens eens bevestigde. En nu, zeventien jaar later, ‘leeft hij om het gebeurde heen’[sic.] en weigert hij erover te praten. Liever filosofeert hij er op los om zo zijn eigen eruditie te bevestigen. Daarin zit ook de moraal van het boek: Het nadenken en vooral praten over grote thema’s en morele dilemma’s, maar als het puntje bij paaltje komt zelf niets doen. Het is het soort struisvogelgedrag van een intellectuele elite die door Marjolijn Februari op een pijnlijke, overtuigende manier wordt beschreven. Gesitueerd overigens in een decor dat bolstaat van de 21e-eeuwse actualiteit, zoals uiteenlopende zaken als de nasleep van 9/11, de Europese danwel Nederlandse identiteit of consumentisme.
Door de keuze voor het beschrijven van deze elite wordt het soms nogal moeilijk het verhaal te blijven volgen vanwege de essayachtige passages. Tegelijkertijd is dit effectief, omdat je zo als lezer weinig tot niets te weten komt over de gemoedstoestand van de personages, ze komen kil en soms zelfgenoegzaam over, hetgeen overslaat op de sfeer die het boek ademt. Het hoofdpersonage Teresa bijvoorbeeld –geen lid van de literaire kring, maar wel de bescheiden, verstandigere dochter van Randolf- komt lange tijd niet echt tot leven en blijft afstandelijk. Er wordt ook op een afstandelijke manier over haar verteld, alsof vorm en inhoud samenvallen. Pas als ze ontdekt wat er in Haïti is gebeurd, komt ze ‘tot leven’.
De titel vind ik trouwens erg effectief gekozen, omdat het een geslotenheid suggereert, die typisch is voor zowel de in het boek beschreven literaire kring als de leden ervan. Bovendien heeft een kring iets navelstaarderigs en veiligs, wat letterlijk blijkt als Randolf aanvankelijk weigert het boek van de dochter van Erik de Winter te lezen, vanwege een te hoog chicklitgehalte, dat vervolgens toch doet om het daarop, tijdens de maandelijks literaire bijeenkomst te weigeren te bespreken, om zo toespelingen op zijn eigen laakbaarheid te vermijden.
Qua stijl vind ik het soms ietwat ‘over the top’, met name zinsconstructies als ‘hartelijk zonlicht’ (p.105), of iemand met een ‘lichte, klankrijke stem’ (p.137), maar dat is nou eenmaal een kwestie van smaak. Ook zijn sommige beschrijvingen nogal dubbelop; zo wordt er een keer of vijf melding gemaakt van het rieten dak van het huis van Randolf en zijn vrouw Iris, waarbij je je op een gegeven moment begint af te vragen wat je nou eigenlijk te schaften hebt met een rieten dak. En een Amsterdamse taxichauffeur die spreekt over tijd, ruimte en de ondeelbaarheid van de oneindigheid lijkt mij tamelijk vergezocht.
Naar het einde toe wordt het boek wat minder interessant, omdat er nauwelijks iets nieuws wordt verteld. Als lezer was ik er benieuwd naar of er nog een moment van gerechtigheid of een uitsmijter zou komen, zoals Randolf die een hartaanval krijgt en dood neervalt, maar dat gebeurt dan weer niet. Het boek kabbelt naar zijn einde en de leden van de literaire kring hebben hun hachje weer gered. Geen gerechtigheid dus. Ik had het kunnen weten, maar het blijft frustrerend. Wel een aanrader.

Advertenties

Nijmegen aan de Maas: de wondere wereld van Louise Fresco’s Utopisten

Een nominatie voor de Libis Literatuurprijs, stelt dat kwaliteitstechnisch nou nog wat voor, of blijft het gewoon huilen met de pet op om het zoveelste slechte Nederlandse boek? Ik heb de proef op de som genomen met een nominatie van afgelopen jaar, namelijk De Utopisten van Louise O. Fresco… Hieronder geef ik, de mij zo kenmerkende bescheidenheid in acht nemend, mijn bevindingen weer. Ik moet erbij zeggen dat ik mij er pijnlijk van bewust ben dat het makkelijker is iets af te kraken dan de hemel in te prijzen, maar de omstandigheden gebieden mij nu eenmaal open en eerlijk te zijn. Waarvan akte.

Wat doet het met een mens wanneer die, na jaren in allerlei al dan niet politieke (aktie)groeperingen gezeten te hebben, vrij onverwacht tot staatssecretaris wordt benoemd? Om te beginnen wordt dat heuglijke feit gevierd: ‘Michiel viert feest. Dus vieren wij allemaal feest!’ (p. 12)… ooit weleens op een feestje gestaan en iemand zoiets horen uitroepen? Ik dacht het inderdaad ook niet. Zo begint De Utopisten en de toon blijkt meteen gezet.
Het is een tekenend begin voor hoe krakkemikkig en onnatuurlijk de spreektaal in deze roman wordt gebezigd; mensen van vlees en bloed praten niet op een dermate debiele wijze zoals ze dat in deze roman doen. De mede hierdoor nooit tot leven komende personages zijn talrijk, en vertegenwoordigen stuk voor stuk een bepaalde overtuiging, die al dan niet van politiek-ideologische aard is. Neem het personage Julia bijvoorbeeld, ze had een onduidelijk vriendje ergens in een ver buitenland, en dat blijkt helaas overleden te zijn tijdens een verblijf in zijn geboorteland Ecuador. Zij erheen natuurlijk, maar haar weinig empathische ouders begrijpen haar natuurlijk weer niet. Sterker nog: ‘Niemand begreep haar’(p. 57) en dus roept ze uit: ‘laat me toch eens mijn eigen leven leiden!’ (p.59) Het lijkt wel alsof de auteur van tevoren een aantekening heeft gemaakt bij het personage Julia, iets in de trant van ‘Ze voelt zich onbegrepen en wil haar eigen leven leiden.’, en is vergeten achter deze aantekening ‘uitwerken’ te zetten. Het is één van de vele manco’s aan deze roman: de karakters zijn zonder uitzondering onuitgewerkt, spreken letterlijk in zinnen die hen moeten typeren of karakteriseren en blijven bovenal van papier, komen nooit tot leven. Tot overmaat van ramp zijn de beschrijvingen van het doen en laten van eenieder in dit boek zo clichématig als een broodje kaas. Een wit bolletje kaas zelfs. Lydia, de tweede vrouw van hoofdpersoon van Michiel lijkt, als ze een mooie jurk aan heeft, ‘op een filmster uit de jaren dertig’, iets originelers kon er kennelijk niet van af. Okee, ‘ze leek op een pooierloze hoer met kerstmis’ was wellicht enigszins over-the-top geweest, maar evenzogoed wel spannender. Het eindeloze gebabbel over bijvoorbeeld Lydia’s goede smaak op het gebied van woninginrichting en kleding is saai en risicoloos. Wat gaat ons het bovendien aan?
Of neem bijvoorbeeld Gerrit, een getroebleerde milieufanaticus, die zegt het volgende, als reactie op een zekere Paul die aankondigt naar Nigeria af te reizen: ‘Nigeria? Al die rijke oliegeneraals, wat moet je daar?’, zodat de lezer ten overvloede herinnerd wordt aan de idealen van Gerrit. Om Gerrit vervolgens te horen suggereren dat Azië of het Midden-Oosten toch ook prima bestemmingen zijn. Ontzettend overtuigend, je hoort het Huub Stapel zo zeggen met z’n acteerstem.
Kenmerkend voor dit boek zijn verder de vele slordigheden. Niet alleen kleinigheden op het gebied van verleden tijd en tegenwoordige tijd of enkelvouds- en meervoudsfouten als
‘…, bleken er een aantal…’ (p.15) komen veelvuldig voor, maar ook grotere, met als hoogtepunt Nijmegen, u weet wel, die stad in Gelderland, die toch vrij algemeen bekend staat als ‘Havana aan de Waal’, dat wist u best. Welnu, dat Nijmegen ligt in Fresco’s chaotische universum ineens aan de Maas. (p.130) Je vraagt je af of er überhaupt een redacteur aan het werk is geweest bij de totstandkoming van dit boek. Een bevestiging van het aloude principe ‘schrijven is schrappen’, dat is wat De Utopisten in helaas negatieve zin is.
Wat de lezer verder vooral op zal vallen, is de vrijblijvendheid van het vertelde en de vrijblijvendheid van de volgorde waarin dat gebeurt. Keer op keer vraag je je af waarom de verteller je zo nodig deelgenoot wenst te maken van de vaak oninteressante zieleroerselen van de personages, die stuk voor stuk zo eendimensionaal als een smileyface zijn. ‘Waar gaat dit heen? Waarom lees ik dit?’, vraag je je af. Gelukkig vraagt hoofdpersoon Michiel zich dat op een gegeven moment ook af, hetgeen dan weer tot onbedoelde hilariteit leidt. De meanderende, doch simpele plot en de zich daarbij zijdelings voordoende incidenten, die bedoeld lijken om het verhaal nog enig cachet te geven, zijn bij elkaar niet boeiend genoeg om te beklijven. Was het verhaal in een stilistisch betere vorm gegoten, waren er pakweg honderd pagina’s geschrapt en was het bovenal minder slordig in elkaar gezet, dan had het nog best een interessant verhaal kunnen zijn, dat evenwel nooit het Nederlandse polderniveau zou ontstijgen.

Het laatste hoofdstuk van dit boek, wordt trouwens ineens weer razendsnel afgeraffeld, alsof alles binnen het bestek van enkele pagina’s moet worden opgelost. En dat gebeurt ook. Alles is weer bij het oude, oude vriendschappen worden bevestigd, de belangen voor een verantwoord ecologisch beleid gestoeld op een pragmatisch-technologische benadering van het milieu zijn uitgesproken en het boek is uit. Weten we dat ook weer.
Ergens doet De Utopisten denken aan De Literaire Kring van Marjolein Februari, die ook een milieu van navelstaarderige machthebbers beschrijft, alleen doet Februari dat veel beter dan Fresco. Misschien had die beter een essay kunnen schrijven. Of een betere redacteur moeten nemen. Of iets anders moeten gaan doen. In ieder geval zou ik niemand De Utopisten willen aanraden. Het heeft er alle schijn van dat men bij Prometheus heeft zitten slapen. Dat een dergelijk boek vervolgens genomineerd wordt voor de Libris Literatuurprijs van 2008, zegt helaas veel over de ingekaktheid van het Nederlandse literaire klimaat. Volgende keer meer hierover…