jasje dasje lul!

Vorige week werd ik weer eens in het openbaar geconfronteerd met het verschijnsel corpsballen. Dat gebeurt al jaren met enige regelmaat, hoewel een kenmerk van de corpsbal natuurlijk is dat hij (‘zij’ is in dit geval het corpssletje) zich voornamelijk ophoudt in het dispuutshuis, alwaar hij zich in zijn hiërargische biotoop wentelt in zijn eigen vuil.  Maar regelmatig gebeurt het dat de corpsbal naar buiten gaat, omdat bijvoorbeeld het bier op is. Kenmerkend is hierbij, dat het mannetje nooit alleen naar buiten durft, maar dit altijd met enkele soortgenoten doet. Groepsgewijs.  Dit weten we doordat corpsballen een uniform dragen. Er is verder altijd sprake van een sterke leider per afdeling, meestal aangeduid met een (pretentieuze) Latijnse naam. Deze leider draagt uit dat het individu binnen het corps en de daarbinnen functionerende afdelingen, te allen tijde ondergeschikt is aan het collectief en dat het individu trouw moet blijven aan de leer die de desbetreffende vereniging wil uitdragen. Deze boodschap brengt hij over middels krachtige toespraken, die de overige leden moeten aanzetten tot een onvoorwaardelijke, levenslange liefde voor die vereniging. Kameraadschappelijkheid, opoffering en vereniging van krachten is hierbij het streven. Wijkt men van de regels af, dan volgt een (binnen de vereniging publieke) afstraffing. Twijfel is uit den boze, want doet daarmee twijfelen aan de veronderstelde onverzettelijkheid. Tot slot zijn de verschillende al dan niet corporale studentenverenigingen niet erg gediend van elkaar (‘de ander’) en doen ze met enige regelmaat invallen bij elkaar, meppen dan de boel en elkaar kort en klein en vertrekken daarop weer, onderwijl liederen zingend waarop het fijn marcheren is. Er wordt niet echt geredeneerd, wel ‘gerausd’ , gezongen en gebrald. het gaat niet om het denken, maar om het doen.

Dit enerzijds.

Anderzijds viel van de week mijn oog, met een heel andere reden,  op het hoofdstuk  ‘fascisme, nationaal-socialisme en neofascisme’, in mijn oude  geschiedenisboek van de middelbare school. Dit had te maken met een gesprek dat ik had over de PVV en dan moet je wel weten waar je het over hebt natuurlijk. Maar van het weekend kwam ik ze onverwacht weer tegen, de corpsballen. En ik kon er, na ongevraagde inmenging hunnerzijds,  niets aan doen te moeten constateren dat hetgeen ik in het betreffende hoofdstuk had gelezen, qua theorie bijzonder dicht bij de praktijk van het studentencorps lag. (Trouwens ook bij het communisme, afgezien van de afkeer van het kapitalisme uiteraard, maar dit terzijde). Misschien is dit een constatering die in de jaren zeventig van de vorige eeuw al is uitgemolken toen op een gegeven moment alles wat niet deugde fascistisch werd genoemd, maar daar gaat het me nu niet om. Het viel me simpelweg ineens weer op.

Advertenties

Duivelse gezelligheid en corpsballen

Nijmegen, zelfverklaard oudste stad van Nederland, staat bekend als een studentenstad. Niks hips, wel gezellig. Of: gâssâllâg, zoals men in het Nijmeegse zegt. En in tegenstelling tot steden als Amsterdam of het in Nijmegen nogal impopulaire Arnhem, is er in Nijmegen geen sprake van verplichte sluitingstijden voor de horeca. Interessant om eens na te gaan of dit ook leidt tot grotere feestvreugde. Het caféaanbod is in ieder geval enorm.
Om de avond bescheiden te beginnen, spreek ik met mijn zusje S. en een gemeenschappelijke vriend, H., af in café Camelot. Dat ligt aan de Grote Markt; een redelijk fraai plein met aan de ene zijde historische koopmanshuizen en een middeleeuwse waag, met er tegenover een spuuglelijke vestiging van de Hema. Aan dit contrast is goed te zien dat het Amerikaanse vergissingsbombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog anno 2011 nog steeds zijn sporen na laat.
‘ik zit in café Moenen, Camelot is vol’, sms’t mijn zusje als H. en ik op het punt staan naar binnen te gaan. Dat klinkt als een goed teken, want ook aan de Grote markt stikt het van de café’s, dus ‘vol’ is niet meteen een vanzelfsprekendheid op deze vrijdagavond. Populaire plek dus.
Moenen is het met Camelot vergelijkbare buurcafé. Voor wie het niet wist: de naam verwijst naar de duivel uit de eeuwenoude legende van Mariken van Nimweghen, van wie er een standbeeldje op dit plein staat.
Binnen is het gezellig druk. De ruime, sfeervol verlichte kroeg is gevuld met een studentikoos publiek, wat niet vreemd is in een stad waar 30.000 studenten wonen. Er is een grote keuze aan speciaal bier, en als je trek hebt kan je een simpele, betaalbare dag- of borrelhap bestellen, hetgeen H. dan ook meteen doet. Jammer genoeg ben ik gestopt met roken, want de rookruimte mag er zijn: het is een café op zich wat rechts van het eigenlijke café zit. Een stuk aangenamer dan de troosteloze telefooncelachtige constructies die je tegenwoordig wel eens in de horeca aantreft.
Omdat we zin krijgen in wat meer actie, maar nog niet meteen naar een dans- of clubgelegenheid willen, kiezen we voor de gulden middenweg: café Twee Keer Bellen in de In de Betouwstraat. Er zitten nog meer (studenten)cafés in deze straat, waarvan Bascafé ongetwijfeld de populairste is, gezien de lange rij wachtenden op de stoep voor de deur. Net als bij het bomvolle café De Fuik, dat zijn naam eer aan lijkt te doen.
In het niet al te fris ruikende Twee Keer Bellen is het een stuk rustiger. Vier giechelende meisjes naast ons drinken in rap tempo shotjes, kennelijk een specialiteit in dit café. Zo kan je hier een Grote Smurf bestellen, die bestaat uit een laagje Malibu, een laagje Blue Curacao en een laagje bessen. Het ziet er spectaculair uit, al maken we ons wel een beetje zorgen over de alcoholhakkende meisjes. Terecht, naar later zal blijken.
Jammer genoeg is er vanavond een dispuut van het plaatselijke studentencorps Carolus Magnus dat hier zijn zeventienjarig bestaan viert. De onvergetelijke tv-imitaties door Jiskefet zijn er niets bij: lallend en brallend nemen de dispuutsleden de boel over, tot lichtelijke verbijstering van het barpersoneel, dat de handen vol heeft aan hen. Bij één van de dispuutsleden wordt een enorme pikhouweel in beslag genomen, waarmee hij net de tafel doormidden wilde slaan. Tijd voor ons om verder te gaan kijken.
Dat doen we in de Billabong: een sympathieke, volle danstent met een apart bargedeelte waaraan een bescheidener, tweede dansvloer grenst. Prettig voor de afwisseling met de grote zaal. De muziek varieert van indie naar niet al te opdringerige dance en irriteert niet.
Drukte is steeds het codewoord. En die neemt evenredig toe met de beschonkenheid van het steeds uitgelatener publiek. Als wij het om een uurtje of vier voor gezien houden, staat er buiten nog een enorme meute te wachten om naar binnen te gaan. Het ziet er niet naar uit dat het vroeg afgelopen is hier.

Moulijn is dood, leve Baudrillard

Het bericht dat publiekslieveling Coen Moulijn was overleden, verwarde me een beetje. Alle kranten pakten uit met nostalgisch aandoende foto’s van de glorieuze voetbalcrack; passerend, scorend of een benenbrekende Madrileen najagend. En daarmee werd langzaamaan duidelijk dat mijn verwarring, tot mijn schaamte, niet werd ingegeven door verdriet of empathie met de nabestaanden, maar door iets anders.

Naar aanleiding hiervan moet ik eerst even iets pijnlijks opbiechten. Ik moet eerlijk toegeven dat er een onheldere periode in mijn leven is geweest, tijdens welke ik ervan overtuigd ben geweest dat Coen Moulijn allang overleden was. Hetzelfde geldt voor Faas Wilkes (RIP sinds 2006). Of een voetballer wiens naam begint met ‘Kick’. Of ‘Cock’. Dit klinkt misschien wat onkies, maar ik kan er ook niks aan doen en heb er bovendien een heldere verklaring voor en die heeft niks te maken met het feit dat ik weinig in Rotterdam kom: het ligt simpelweg aan de naam; ‘Coen Moulijn’, dat is voor mij een naam die klinkt als de naam van een voetballer uit de tijd dat een voetbal nog een ‘leren knikker’ werd genoemd. Een tijd waarin men als supporter de moeder van de scheidsrechter in geval van onbegrip nog totaal buiten beschouwing liet en daarvoor in de plaats reageerde met een verontwaardigd ‘dat is toch een geheel foutieve beslissing!’ of ‘Hela! Je laat je toch zeker geen tegendoelpunt welgevallen?!’, waarop zonder omhaal de op de tribune dienstdoende bromsnor op de betreffende berisper afstapte, daarbij de wapenstok omklemmend, en deze toevoegde hem scherp in de gaten te zullen houden.
Dit laatste is een scène uit Jiskefet (de link naar het filmpje staat boven dit bericht) en ik moest er frappant genoeg meteen aan denken bij het vernemen van het nieuws over het overlijden van Coen Moulijn. Trouwens, ook als er ander nieuws in verband met deze helaas nu niet meer levende legende zou zijn geweest, had ik meteen aan deze scène van Jiskefet gedacht, waarbij een register aan associaties zich zou hebben opgedrongen. Dit behoeft misschien enige uitleg: op de eerste plaats hebben mensen van mijn generatie Coen Moulijn nu eenmaal nooit zien voetballen (hij is gestopt in 1972, ik ben geboren in 1980.) Maar op de tweede plaats zijn ze vaak wel opgegroeid met Jiskefet. De meesten kennen Debiteuren/Crediteuren, de Lullo’s en waarschijnlijk het hier aangehaalde filmpje ook wel. Het bekijken van dat laatste filmpje kan vreemde gevolgen hebben. Het is een realiteit gebaseerd op een beeld uit de media. Postmoderne filosofie in uitvoering: de franse filosoof Jean Baudrillard noemt dit verschijnsel ‘hyperrealiteit’: de manier waarop wij de werkelijkheid beleven is slechts een kopie van de fysieke werkelijkheid. En het klinkt misschien vergezocht, maar het heeft voor mij alles met de naam Coen Moulijn te maken. Misschien ben ik daar niet de enige in en als dat wel zo is doet het er verder ook niet toe. Want waar het om gaat is dat in dit jiskefetfilmpje een gevoel van nostalgie gepresenteerd wordt door middel van een afspiegeling, een uitvergroting eigenlijk, van het nostalgiegevoel van de makers van Jiskefet. In ieder geval een gevoel van nostalgie dat zij over willen brengen door middel van dit voetbalfilmpje. Waar wij, mensen van beneden de -pakweg- vijftig naar kijken, is een humoristische interpretatie van een door ons niet-gekende, dus onbekende realiteit. Niet alleen onbekend in filosofische zin, maar ook letterlijk onbekend, simpelweg omdat we het hier getoonde tijdperk nooit hebben meegemaakt. De makers van Jiskefet waarschijnlijk wel. Zij vergroten daarvan bepaalde facetten uit, die onthouden wij weer en in onze onbetrouwbare herinnering vergroten we die vervolgens op onze beurt ook weer uit. In mijn herinnering was de gesproken tekst in het filmpje veel overdrevener aangezet met een Polygroon-journaalaccent. Een vorm van hyperrealiteit, een afspiegeling van een realiteit die misschien nooit heeft bestaan. Een gevoel van nostalgie bij een tijd die we, als we er bij stilstaan, nooit hebben meegemaakt en door allerlei redenen niet kennen, en toch ook weer wel. Dat is het eerste wat me te binnen schiet bij het horen van de naam Coen Moulijn. Vandaar de verwarring. Moge hij rusten in vrede.