Wie bakt ze bruiner? Verslag 7e Festina Lente Poëzieslag (seizoen 13)

Een nieuwe lente, een nieuwe poëzieslag in Festina Lente.  Op 21 maart deze keer. Inderdaad, de eerste lentedag van 2011. Herman Gorter zou zich omdraaien zich in z’n graf. Gorter kwam overigens uit Wormerveer, het concurrerende buurdorp van Wormer, waar Martijn den Bakker, de presentator van deze avond dan weer vandaan komt. Men kent in die Noordhollandse contreien overigens nogal wat vreemde tradities: zo begreep ik dat de inwoners van Wormer gewend zijn met stenen te gooien naar de inwoners van Wormerveer en vice versa. Gelukkig zou er deze avond in Festina louter met woorden gegooid worden.

Omdat hooggeëerd jurylid Rick de Leeuw verstek moest laten gaan, kwam niemand minder dan schrijfster/dichteres  Maria Barnas hem vervangen. Zij deed dit met verve. Voor aanvang van deze poëzieavond bleek Rick De Leeuw trouwens niet de enige afwezige: een behoorlijk aantal dichters dat zich van tevoren had aangemeld, was niet komen opdagen. Maar waar ons sympathieke jurylid zich netjes en ruim van tevoren had afgemeld, had  van de afwezige dichters (die bevestigd hadden aanwezig te zijn) taal noch teken geklonken. Erg vervelend.

Doch niet verder getalmd: de tune van Simon Vinkenoog en Spinvis werd ingestart, de jury nam haar positie in en sommige dichters nog een valiumtabletje. Om kwart voor negen werd er afgetrapt. (Over de exacte volgorde waarin de dichters optraden ben ik thans niet meer geheel zeker, maar laat dat alsjeblieft geen halszaak zijn.)

Erg fijn dat Daan van der Vliet, die er vorige maand nog met de publieksprijs vandoor ging, deze avond wederom zijn beste beentje voorzette.  Zijn verwarrende, licht-absurdistische teksten met soms een verontrustende ondertoon (‘moeder gooit vader van het balkon’) vielen in goede aarde. Hopelijk gold dat ook voor de van het balkon geworpen vader. Verder viel zijn ‘niets is wat het lijkt’-insteek op, getuige regels als  ‘een appel uit een bananenschil’ of ‘iets wat een schaap moet zijn, blaft’.

Erika de Stercke dan, helemaal uit Gent. Zij is een graag geziene gaste. Alleen al de innemende manier waarop zij ‘goeienavond’ zegt, neemt de laatste restjes irritatie over dichters die niet zijn komen opdagen weg. De Sterckes poëzie kenmerkt zich door subtiele humor, die versterkt wordt door haar vrij stoïcijnse voordracht. ‘Geleefd word ik, als het brood dat rijst’, dichtte zij vanavond. In een ander gedicht refereerde zij wederom aan een garingsproces: ‘als ik aan jou denk/stopt het deeg met rijzen’

Die andere Daan van de avond, Daan Doesborgh, leverde klankrijke poëzie die bol staat van de alliteratie en assonantie, waarbij de betekenis gelukkig niet al te veel geweld werd aangedaan. Dat is geen sinecure; soms heb je dat namelijk weleens, dat klankrijke poëzie het niveau van ‘Liesje leerde Lotje Lopen Langs de Lange Lindenlaan’ niet ontstijgt. Bij Daan was dat gelukkig niet het geval. ‘Ik ben een man van rabarber’ leverde vervreemdende beelden op, voorgedragen op een wijze die zowel plechtstatigheid als woede in zich leek te herbergen.

Dat ontroering iets is dat je niet op een schrijfcursus aangeleerd kan krijgen, of misschien wel beter niet aangeleerd dient te krijgen, bewees Festinaveteraan Bernard Wesseling, die met een nieuw gevoel van urgentie zijn nieuwste ‘gedichies’ kwam voordragen.  Opvallend daaraan was dat hij een nieuwe weg ingeslagen lijkt te zijn: de meer sobere toon van zijn nieuwste poëzie contrasteert enigszins met de taalkundige bravoure die hij in zijn bundel ‘Focus’ aan de dag legt. De originele, eigenzinnige vergelijkingen  (‘meisjes die voor entourage spelen’) zijn echter gebleven. ‘Stof raakt aan stof’ was indrukwekkend. Ik ga hier niet helemaal uit de doeken doen wat er misschien allemaal achter zit, mooi en dus bij wijle ontroerend was het. Dat nogal wat gedichten nog ‘onder constructie’ waren, deed geenszins afbreuk aan de schoonheid van de oprechtheid ervan.

De wederom in badjas gehulde Ditmar Bakker, die de eerste ronde afsloot, is op z’n minst een dichter die altijd vragen oproept. En daarom wordt hij zowel geprezen als verguisd. Hoe het ook zij, ook op deze avond  overstelpte hij zijn publiek op verontrustend olijke wijze met ollekebollekeachtige gedichten waarin vaak een zwartromantische fascinatie voor viezigheid doorklinkt. Althans, als ik een en ander goed verstaan heb (neem bijvoorbeeld ‘de aars bewrat’). Dat goed verstaan ligt trouwens niet alleen aan mijn gebrekkige gehoor, maar ook aan de informatiedichtheid die Ditmars werk kenmerkt.

Qua aantal deelnemers een bescheiden veld dus, waarin wel een enorme diversiteit te bespeuren valt: de ‘tongue-in-cheek’-subtiliteit van Ericka contrasteert lekker met de andere lichaamsdelen van Ditmar, en de soms prekerige bezetenheid van de ene Daan schuurt dan weer fijn tegen de droogkomische terzijdes van de andere. De mokumse breekbaarheid van Bernard completeert dit contrastrijke palet.

Tijdens de pauzes tussen de ronden door, heerste er een opgewonden sfeertje. De presentator kreeg het bijna aan de stok met een stel corpsballen en sommige dichters zweetten peentjes in verband met de goede afloop van de avond. Dit leidde dan tot gesprekken als de volgende:

‘Straks vlieg ik er nog na de eerste ronde uit’

‘Nee joh, je gaat vast door naar de finale’

‘echt?’

‘’tuurlijk’

‘oh, oké.’

Op mijn gemak evaluerend, leek er tot mijn verbazing plotseling sprake te zijn van een spontaan ontstaan thema van de avond, dat gezocht en gevonden diende te worden in de gastronomische hoek: Bij Daan van der Vliet werden immers  pannekoeken gebakken, Ericka bakte brood, Daan Doesborgh was ‘een man van rabarber’ en serveerde ‘kreeft voor de daklozen’ en ving ik bij Ditmar nou iets op over kaas in een ongebruikelijke context? Bovendien ging Bernard Wesseling, verontrustend genoeg, op kookcursus en ‘genoot hij van het eten’. Dat laatste is voor mij, die Bernard een beetje kent, een enigszins alarmerende gedachte.

Waar leidde dit evenwel allemaal toe? Op de eerste ronde volgde alleszins een tweede, waarna er ook nog een finale werd gehouden. Hierin zegevierde Daan Doesborgh volgens de jury en ging die dekselse andere Daan (van der Vliet) er wederom vandoor met de publieksprijs. De avond van de Danen dus!

Gastjurylid Maria Barnas had een verrassende poëzieslag meegemaakt, die zich kenmerkte door een grote mate aan verscheidenheid in dichters. En zo hoort het ook bij de poëzieslag, zij het hopelijk de volgende keer met wat meer dichters die ook daadwerkelijk komen opdagen. Maandag 18 april vindt de volgende plaats. Tot dan!

Advertenties