Joppiesausgeneratie neemt het stokje over van de Patatgeneratie

Wanneer ik ergens ga eten waar bij het hoofdgerecht frieten met mayonaise geserveerd worden, hangt of staat mijn hele culinaire welbevinden bij het al dan niet aantreffen van een bakje huisgemaakte mayonaise. Wanneer de mayonaise op tafel níet huisgemaakt blijkt te zijn, haak ik eigenlijk al af en kan de chef in kwestie nauwelijks meer mijn goedkeuring wegdragen. En niet alleen maar vanwege het feit dat het in een professionele keuken een kleine moeite is om even zelf mayonaise te maken. Fabrieksmayonaise, dus ook alle mayonaise in de supermarkt, bevat ook nog eens suiker en is dus vaak zoet. En dat is niet de bedoeling. Afgezien van hoe buitengewoon smerig ik dat vind, hoort er in mijn beleving simpelweg geen suiker in mayonaise te zitten. In mayonaise zit eigeel, (zonnebloem)olie en zout, op smaak gebracht met eventueel wat azijn, citroen of Dijon-mosterd. Maar geen suiker. Je kunt er wel suiker bijdoen, maar dan is het geen mayonaise meer. Dan krijg je simpelweg iets afgrijselijks, met een marketingnaam als yogonaise, olijfonaise of een ander curieus getiteld fabrieksproduct dat onder het valse voorwendsel van gezonde voeding aan de onwetende man wordt gebracht. Dat is je reinste volksverlakkerij en de ellende gaat nog verder: niet alleen is het veel ongezonder met al die suiker erin, ook wordt de smaak van de moderne mens er op een welhaast onomkeerbare wijze mee aangetast: men vindt echte mayonaise inmiddels over het algemeen namelijk te zuur. En te vet. Hoe vaak hoorde ik al iemand zeggen, bij het proeven van mayonaise zoals die hoort te zijn: ‘Huuh, Belgische mayonaise, nee hoor, dat lust ik nie, veel te zuur! Doe mij maar Joppiesaus!’ Joppiesaus. De risee onder de tafelproducten. Wee de uitvinder van de Joppiesaus. Deze zieke geest is verantwoordelijk voor het om zeep helpen van de goede smaak van minstens een generatie: de patatgeneratie heeft plaatsgemaakt voor de joppiesausgeneratie en deze omvangrijke groep kan hoogstwaarschijnlijk niet meer geholpen worden. We moeten vaststellen dat deze slachtoffers inmiddels over terminaal zieke smaakpapillen beschikken en niet meer in staat mogen worden geacht om ook maar iets binnen te houden waar niet minstens een kilo suiker in verwerkt zit. Met alle gevolgen van dien: een onsmakelijk straatbeeld, vol aan ADHD lijdende Joppiesausverslaafden. dat is de realiteit. Vergeet moslimterrorisme, Silvio Berlusconi en de PVV: de suikermaffia is onder ons en trekt ons ongemerkt mee in een draaikolk. Als een suikerspin op een stokje.

Advertenties

Koninginnedag 2011: een vooruitblik

Ieder jaar rond eind april, dient zich binnen de Amsterdamse vriendenkring steevast dezelfde vraag aan: wat doen we eigenlijk met Koninginnedag? Het is een veelgehoorde vraag, bijna klacht eigenlijk, waarop zelden iemand een concreet antwoord weet. Vaak is het zo dat er een gelegenheid of evenement is, waar iemand ‘in ieder geval even wil kijken’, maar concreter dan dat wordt het vervolgens zelden. Dus wederom met een traagheid waarop de gemiddelde luiaard trots zou zijn, beweeg je je op 30 april te midden van de meute langs andermans afgedankte troep, steeds maar op weg naar een andere, onzekere plek, die je nog kent van alle voorgaande jaren. Het zwaaiende vingertje van de hoofdstedelijke gemeente is daarbij nooit ver weg. Immers: het kan natuurlijk niet zo zijn dat er bijvoorbeeld iemand teveel drinkt op Koninginnedag,  en ‘dat moeten we ook helemaal niet willen’. Stel je voor zeg. (Noot: als er nog één keer een politicus zegt ‘dat moeten we ook helemaal niet willen’, volgt er actie). Waar in iedere andere willekeurige stad het bier zorgeloos vloeit, is in Amsterdam oplettendheid geboden. Want je weet nou eenmaal maar nooit.

Dit alles geldt gelukkig in mindere mate voor de pakweg 300.000 zielen die zichzelf gedurende Koninginnedag geheel vrijwillig als haringen in een ton op auditief ongerief laten trakteren door Radio 538 op het Museumplein. Uit alle mogelijke hoeken en gaten komen ze, ‘lekker gek’ uitgedost, met een toepasselijke ‘niets-is-mij-te-gek’-mentaliteit, alsof een IQ van een gemiddelde kamertemperatuur iets is om trots op te zijn. Alvast veel plezier toegewenst in ieder geval.

Natuurlijk kun je er als inwoner van Amsterdam ook voor kiezen een laagdrempeliger of meer buurt-georiënteerd feestje op te zoeken. Hou er dan wel rekening mee dat de aard en het doel van het desbetreffende feest te allen tijde afgestemd en gebaseerd zijn op de buurt waar het zich afspeelt: zo is het in Oud Zuid vooral Koninginnedag voor SUV-rijders en in de Watergraafsmeer weer meer voor Saab- en Volvobezitters, terwijl men in Oost en West allang blij is dat het überhaupt mooi weer is. In de Jordaan is er een traditioneel spel, dat ieder jaar steeds populairder én moeilijker wordt. Het heet: zoek de Jordanees. Een hint: Goois is het nieuwe Jordanees.

Verder kan je samen met heel Purmerend op een parkeerplaats heel veel pillen in je mik gaan stoppen, begeleid door geluid dat speciaal voor deze gelegenheid door dj’s schijnt te worden veroorzaakt. Ook al zo’n fenomeen dat sinds enkele jaren in opkomst is en op het Rembrandtplein en zelfs in het Wertheimpark gretig aftrek vindt.

Een andere optie is natuurlijk het volledig ontvluchten van de stad. Waarom niet, zou je zeggen? Welnu, bij het ontvluchten van de stad krijg je toch weer het knagende gevoel erg veel te moeten missen. ‘Die-en-die is zus-of-zo daar-en-daar knetterlam in de gracht geflikkerd, lachen man!’ Dat heb je dan gemist, en daar lijkt het vervolgens de maanden na Koninginnedag steevast over te gaan, tijdens de kroeggesprekken: ‘O ja, hilarisch, toen-ie in de gracht flikkerde! Knetterlam natuurlijk! Met z’n kop!’ En er dan opnieuw om lachen. Dus beter neem je het zekere voor het onzekere en trek je je nergens wat van aan. Met een treetje koud bier in een rugzak kom je waarschijnlijk al een heel eind.

Wie bakt ze bruiner? Verslag 7e Festina Lente Poëzieslag (seizoen 13)

Een nieuwe lente, een nieuwe poëzieslag in Festina Lente.  Op 21 maart deze keer. Inderdaad, de eerste lentedag van 2011. Herman Gorter zou zich omdraaien zich in z’n graf. Gorter kwam overigens uit Wormerveer, het concurrerende buurdorp van Wormer, waar Martijn den Bakker, de presentator van deze avond dan weer vandaan komt. Men kent in die Noordhollandse contreien overigens nogal wat vreemde tradities: zo begreep ik dat de inwoners van Wormer gewend zijn met stenen te gooien naar de inwoners van Wormerveer en vice versa. Gelukkig zou er deze avond in Festina louter met woorden gegooid worden.

Omdat hooggeëerd jurylid Rick de Leeuw verstek moest laten gaan, kwam niemand minder dan schrijfster/dichteres  Maria Barnas hem vervangen. Zij deed dit met verve. Voor aanvang van deze poëzieavond bleek Rick De Leeuw trouwens niet de enige afwezige: een behoorlijk aantal dichters dat zich van tevoren had aangemeld, was niet komen opdagen. Maar waar ons sympathieke jurylid zich netjes en ruim van tevoren had afgemeld, had  van de afwezige dichters (die bevestigd hadden aanwezig te zijn) taal noch teken geklonken. Erg vervelend.

Doch niet verder getalmd: de tune van Simon Vinkenoog en Spinvis werd ingestart, de jury nam haar positie in en sommige dichters nog een valiumtabletje. Om kwart voor negen werd er afgetrapt. (Over de exacte volgorde waarin de dichters optraden ben ik thans niet meer geheel zeker, maar laat dat alsjeblieft geen halszaak zijn.)

Erg fijn dat Daan van der Vliet, die er vorige maand nog met de publieksprijs vandoor ging, deze avond wederom zijn beste beentje voorzette.  Zijn verwarrende, licht-absurdistische teksten met soms een verontrustende ondertoon (‘moeder gooit vader van het balkon’) vielen in goede aarde. Hopelijk gold dat ook voor de van het balkon geworpen vader. Verder viel zijn ‘niets is wat het lijkt’-insteek op, getuige regels als  ‘een appel uit een bananenschil’ of ‘iets wat een schaap moet zijn, blaft’.

Erika de Stercke dan, helemaal uit Gent. Zij is een graag geziene gaste. Alleen al de innemende manier waarop zij ‘goeienavond’ zegt, neemt de laatste restjes irritatie over dichters die niet zijn komen opdagen weg. De Sterckes poëzie kenmerkt zich door subtiele humor, die versterkt wordt door haar vrij stoïcijnse voordracht. ‘Geleefd word ik, als het brood dat rijst’, dichtte zij vanavond. In een ander gedicht refereerde zij wederom aan een garingsproces: ‘als ik aan jou denk/stopt het deeg met rijzen’

Die andere Daan van de avond, Daan Doesborgh, leverde klankrijke poëzie die bol staat van de alliteratie en assonantie, waarbij de betekenis gelukkig niet al te veel geweld werd aangedaan. Dat is geen sinecure; soms heb je dat namelijk weleens, dat klankrijke poëzie het niveau van ‘Liesje leerde Lotje Lopen Langs de Lange Lindenlaan’ niet ontstijgt. Bij Daan was dat gelukkig niet het geval. ‘Ik ben een man van rabarber’ leverde vervreemdende beelden op, voorgedragen op een wijze die zowel plechtstatigheid als woede in zich leek te herbergen.

Dat ontroering iets is dat je niet op een schrijfcursus aangeleerd kan krijgen, of misschien wel beter niet aangeleerd dient te krijgen, bewees Festinaveteraan Bernard Wesseling, die met een nieuw gevoel van urgentie zijn nieuwste ‘gedichies’ kwam voordragen.  Opvallend daaraan was dat hij een nieuwe weg ingeslagen lijkt te zijn: de meer sobere toon van zijn nieuwste poëzie contrasteert enigszins met de taalkundige bravoure die hij in zijn bundel ‘Focus’ aan de dag legt. De originele, eigenzinnige vergelijkingen  (‘meisjes die voor entourage spelen’) zijn echter gebleven. ‘Stof raakt aan stof’ was indrukwekkend. Ik ga hier niet helemaal uit de doeken doen wat er misschien allemaal achter zit, mooi en dus bij wijle ontroerend was het. Dat nogal wat gedichten nog ‘onder constructie’ waren, deed geenszins afbreuk aan de schoonheid van de oprechtheid ervan.

De wederom in badjas gehulde Ditmar Bakker, die de eerste ronde afsloot, is op z’n minst een dichter die altijd vragen oproept. En daarom wordt hij zowel geprezen als verguisd. Hoe het ook zij, ook op deze avond  overstelpte hij zijn publiek op verontrustend olijke wijze met ollekebollekeachtige gedichten waarin vaak een zwartromantische fascinatie voor viezigheid doorklinkt. Althans, als ik een en ander goed verstaan heb (neem bijvoorbeeld ‘de aars bewrat’). Dat goed verstaan ligt trouwens niet alleen aan mijn gebrekkige gehoor, maar ook aan de informatiedichtheid die Ditmars werk kenmerkt.

Qua aantal deelnemers een bescheiden veld dus, waarin wel een enorme diversiteit te bespeuren valt: de ‘tongue-in-cheek’-subtiliteit van Ericka contrasteert lekker met de andere lichaamsdelen van Ditmar, en de soms prekerige bezetenheid van de ene Daan schuurt dan weer fijn tegen de droogkomische terzijdes van de andere. De mokumse breekbaarheid van Bernard completeert dit contrastrijke palet.

Tijdens de pauzes tussen de ronden door, heerste er een opgewonden sfeertje. De presentator kreeg het bijna aan de stok met een stel corpsballen en sommige dichters zweetten peentjes in verband met de goede afloop van de avond. Dit leidde dan tot gesprekken als de volgende:

‘Straks vlieg ik er nog na de eerste ronde uit’

‘Nee joh, je gaat vast door naar de finale’

‘echt?’

‘’tuurlijk’

‘oh, oké.’

Op mijn gemak evaluerend, leek er tot mijn verbazing plotseling sprake te zijn van een spontaan ontstaan thema van de avond, dat gezocht en gevonden diende te worden in de gastronomische hoek: Bij Daan van der Vliet werden immers  pannekoeken gebakken, Ericka bakte brood, Daan Doesborgh was ‘een man van rabarber’ en serveerde ‘kreeft voor de daklozen’ en ving ik bij Ditmar nou iets op over kaas in een ongebruikelijke context? Bovendien ging Bernard Wesseling, verontrustend genoeg, op kookcursus en ‘genoot hij van het eten’. Dat laatste is voor mij, die Bernard een beetje kent, een enigszins alarmerende gedachte.

Waar leidde dit evenwel allemaal toe? Op de eerste ronde volgde alleszins een tweede, waarna er ook nog een finale werd gehouden. Hierin zegevierde Daan Doesborgh volgens de jury en ging die dekselse andere Daan (van der Vliet) er wederom vandoor met de publieksprijs. De avond van de Danen dus!

Gastjurylid Maria Barnas had een verrassende poëzieslag meegemaakt, die zich kenmerkte door een grote mate aan verscheidenheid in dichters. En zo hoort het ook bij de poëzieslag, zij het hopelijk de volgende keer met wat meer dichters die ook daadwerkelijk komen opdagen. Maandag 18 april vindt de volgende plaats. Tot dan!

meisjes in het verkeer

Naast een aantal andere zaken, ben ik groot liefhebber van meisjes, om een aantal uiteenlopende redenen. Maar één van die redenen is in ieder geval niet de onvermijdelijke deelname van meisjes aan het verkeer.  Hou me ten goede, het is niet mijn intentie om te generaliseren, hoewel het onderwerp me er  wel degelijk toe noopt. Want man, man, man, wat een drama vormen meisjes in het verkeer. Over hoeveel leuke features ze verder ook beschikken maakt in dezen even niets meer uit. Meisjes in het verkeer bewegen zich temidden van de overige verkeersdeelnemers met de nuance van het oeuvre van Charles Bukowski  en het richtingsgevoel van een gemiddelde lemming: ze lijken alleen in staat te zijn om vooruit te kijken, waar op zich niks mis mee is, ware het niet dat het niet valt aan te raden om een dergelijke gedachte op een druk verkeersplein om te zetten in gedrag.

Sommige meisjes die onbekommerd alles en iedereen afsnijdend, een spoor van semi-verkeersongelukken achterlatend door de stad peddelen, verkeren in de veronderstelling dat de blikken van mannelijke omstanders die zij toegeworpen krijgen, te maken hebben met hun eigen lustopwekkende verschijning. Dat is te zeggen, in hoeverre zij die blikken registreren uiteraard. Maar niets is minder waar. Doorgaans drukken zulke (mannen)blikken een bijna vertederde verbijstering uit bij het gadeslaan van dergelijke onbeholpen verkeersdeelname. Een man vraagt zich bij tijd en wijle af hoe het in godsnaam mogelijk is dat een vrouwelijke verkeersdeelneemster überhaupt nog thuisgeraakt. Zeker in het weekend, na een uur of elf ‘s avonds.

En kom nu niet meteen zeuren over eventuele vrouwonvriendelijkheid mijnerzijds, want alle lieve meisjes in mijn omgeving geven zulks bij nadere ondervraging mijnerzijds, grif toe (nadat ze van hun fiets zijn gestapt uiteraard).

Volgende keer weer iets geheel anders, dan heb ik het graag over de gemiddelde testosteronspiegel van de mannelijke bonoboaap.

jasje dasje lul!

Vorige week werd ik weer eens in het openbaar geconfronteerd met het verschijnsel corpsballen. Dat gebeurt al jaren met enige regelmaat, hoewel een kenmerk van de corpsbal natuurlijk is dat hij (‘zij’ is in dit geval het corpssletje) zich voornamelijk ophoudt in het dispuutshuis, alwaar hij zich in zijn hiërargische biotoop wentelt in zijn eigen vuil.  Maar regelmatig gebeurt het dat de corpsbal naar buiten gaat, omdat bijvoorbeeld het bier op is. Kenmerkend is hierbij, dat het mannetje nooit alleen naar buiten durft, maar dit altijd met enkele soortgenoten doet. Groepsgewijs.  Dit weten we doordat corpsballen een uniform dragen. Er is verder altijd sprake van een sterke leider per afdeling, meestal aangeduid met een (pretentieuze) Latijnse naam. Deze leider draagt uit dat het individu binnen het corps en de daarbinnen functionerende afdelingen, te allen tijde ondergeschikt is aan het collectief en dat het individu trouw moet blijven aan de leer die de desbetreffende vereniging wil uitdragen. Deze boodschap brengt hij over middels krachtige toespraken, die de overige leden moeten aanzetten tot een onvoorwaardelijke, levenslange liefde voor die vereniging. Kameraadschappelijkheid, opoffering en vereniging van krachten is hierbij het streven. Wijkt men van de regels af, dan volgt een (binnen de vereniging publieke) afstraffing. Twijfel is uit den boze, want doet daarmee twijfelen aan de veronderstelde onverzettelijkheid. Tot slot zijn de verschillende al dan niet corporale studentenverenigingen niet erg gediend van elkaar (‘de ander’) en doen ze met enige regelmaat invallen bij elkaar, meppen dan de boel en elkaar kort en klein en vertrekken daarop weer, onderwijl liederen zingend waarop het fijn marcheren is. Er wordt niet echt geredeneerd, wel ‘gerausd’ , gezongen en gebrald. het gaat niet om het denken, maar om het doen.

Dit enerzijds.

Anderzijds viel van de week mijn oog, met een heel andere reden,  op het hoofdstuk  ‘fascisme, nationaal-socialisme en neofascisme’, in mijn oude  geschiedenisboek van de middelbare school. Dit had te maken met een gesprek dat ik had over de PVV en dan moet je wel weten waar je het over hebt natuurlijk. Maar van het weekend kwam ik ze onverwacht weer tegen, de corpsballen. En ik kon er, na ongevraagde inmenging hunnerzijds,  niets aan doen te moeten constateren dat hetgeen ik in het betreffende hoofdstuk had gelezen, qua theorie bijzonder dicht bij de praktijk van het studentencorps lag. (Trouwens ook bij het communisme, afgezien van de afkeer van het kapitalisme uiteraard, maar dit terzijde). Misschien is dit een constatering die in de jaren zeventig van de vorige eeuw al is uitgemolken toen op een gegeven moment alles wat niet deugde fascistisch werd genoemd, maar daar gaat het me nu niet om. Het viel me simpelweg ineens weer op.

Duivelse gezelligheid en corpsballen

Nijmegen, zelfverklaard oudste stad van Nederland, staat bekend als een studentenstad. Niks hips, wel gezellig. Of: gâssâllâg, zoals men in het Nijmeegse zegt. En in tegenstelling tot steden als Amsterdam of het in Nijmegen nogal impopulaire Arnhem, is er in Nijmegen geen sprake van verplichte sluitingstijden voor de horeca. Interessant om eens na te gaan of dit ook leidt tot grotere feestvreugde. Het caféaanbod is in ieder geval enorm.
Om de avond bescheiden te beginnen, spreek ik met mijn zusje S. en een gemeenschappelijke vriend, H., af in café Camelot. Dat ligt aan de Grote Markt; een redelijk fraai plein met aan de ene zijde historische koopmanshuizen en een middeleeuwse waag, met er tegenover een spuuglelijke vestiging van de Hema. Aan dit contrast is goed te zien dat het Amerikaanse vergissingsbombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog anno 2011 nog steeds zijn sporen na laat.
‘ik zit in café Moenen, Camelot is vol’, sms’t mijn zusje als H. en ik op het punt staan naar binnen te gaan. Dat klinkt als een goed teken, want ook aan de Grote markt stikt het van de café’s, dus ‘vol’ is niet meteen een vanzelfsprekendheid op deze vrijdagavond. Populaire plek dus.
Moenen is het met Camelot vergelijkbare buurcafé. Voor wie het niet wist: de naam verwijst naar de duivel uit de eeuwenoude legende van Mariken van Nimweghen, van wie er een standbeeldje op dit plein staat.
Binnen is het gezellig druk. De ruime, sfeervol verlichte kroeg is gevuld met een studentikoos publiek, wat niet vreemd is in een stad waar 30.000 studenten wonen. Er is een grote keuze aan speciaal bier, en als je trek hebt kan je een simpele, betaalbare dag- of borrelhap bestellen, hetgeen H. dan ook meteen doet. Jammer genoeg ben ik gestopt met roken, want de rookruimte mag er zijn: het is een café op zich wat rechts van het eigenlijke café zit. Een stuk aangenamer dan de troosteloze telefooncelachtige constructies die je tegenwoordig wel eens in de horeca aantreft.
Omdat we zin krijgen in wat meer actie, maar nog niet meteen naar een dans- of clubgelegenheid willen, kiezen we voor de gulden middenweg: café Twee Keer Bellen in de In de Betouwstraat. Er zitten nog meer (studenten)cafés in deze straat, waarvan Bascafé ongetwijfeld de populairste is, gezien de lange rij wachtenden op de stoep voor de deur. Net als bij het bomvolle café De Fuik, dat zijn naam eer aan lijkt te doen.
In het niet al te fris ruikende Twee Keer Bellen is het een stuk rustiger. Vier giechelende meisjes naast ons drinken in rap tempo shotjes, kennelijk een specialiteit in dit café. Zo kan je hier een Grote Smurf bestellen, die bestaat uit een laagje Malibu, een laagje Blue Curacao en een laagje bessen. Het ziet er spectaculair uit, al maken we ons wel een beetje zorgen over de alcoholhakkende meisjes. Terecht, naar later zal blijken.
Jammer genoeg is er vanavond een dispuut van het plaatselijke studentencorps Carolus Magnus dat hier zijn zeventienjarig bestaan viert. De onvergetelijke tv-imitaties door Jiskefet zijn er niets bij: lallend en brallend nemen de dispuutsleden de boel over, tot lichtelijke verbijstering van het barpersoneel, dat de handen vol heeft aan hen. Bij één van de dispuutsleden wordt een enorme pikhouweel in beslag genomen, waarmee hij net de tafel doormidden wilde slaan. Tijd voor ons om verder te gaan kijken.
Dat doen we in de Billabong: een sympathieke, volle danstent met een apart bargedeelte waaraan een bescheidener, tweede dansvloer grenst. Prettig voor de afwisseling met de grote zaal. De muziek varieert van indie naar niet al te opdringerige dance en irriteert niet.
Drukte is steeds het codewoord. En die neemt evenredig toe met de beschonkenheid van het steeds uitgelatener publiek. Als wij het om een uurtje of vier voor gezien houden, staat er buiten nog een enorme meute te wachten om naar binnen te gaan. Het ziet er niet naar uit dat het vroeg afgelopen is hier.

Moulijn is dood, leve Baudrillard

Het bericht dat publiekslieveling Coen Moulijn was overleden, verwarde me een beetje. Alle kranten pakten uit met nostalgisch aandoende foto’s van de glorieuze voetbalcrack; passerend, scorend of een benenbrekende Madrileen najagend. En daarmee werd langzaamaan duidelijk dat mijn verwarring, tot mijn schaamte, niet werd ingegeven door verdriet of empathie met de nabestaanden, maar door iets anders.

Naar aanleiding hiervan moet ik eerst even iets pijnlijks opbiechten. Ik moet eerlijk toegeven dat er een onheldere periode in mijn leven is geweest, tijdens welke ik ervan overtuigd ben geweest dat Coen Moulijn allang overleden was. Hetzelfde geldt voor Faas Wilkes (RIP sinds 2006). Of een voetballer wiens naam begint met ‘Kick’. Of ‘Cock’. Dit klinkt misschien wat onkies, maar ik kan er ook niks aan doen en heb er bovendien een heldere verklaring voor en die heeft niks te maken met het feit dat ik weinig in Rotterdam kom: het ligt simpelweg aan de naam; ‘Coen Moulijn’, dat is voor mij een naam die klinkt als de naam van een voetballer uit de tijd dat een voetbal nog een ‘leren knikker’ werd genoemd. Een tijd waarin men als supporter de moeder van de scheidsrechter in geval van onbegrip nog totaal buiten beschouwing liet en daarvoor in de plaats reageerde met een verontwaardigd ‘dat is toch een geheel foutieve beslissing!’ of ‘Hela! Je laat je toch zeker geen tegendoelpunt welgevallen?!’, waarop zonder omhaal de op de tribune dienstdoende bromsnor op de betreffende berisper afstapte, daarbij de wapenstok omklemmend, en deze toevoegde hem scherp in de gaten te zullen houden.
Dit laatste is een scène uit Jiskefet (de link naar het filmpje staat boven dit bericht) en ik moest er frappant genoeg meteen aan denken bij het vernemen van het nieuws over het overlijden van Coen Moulijn. Trouwens, ook als er ander nieuws in verband met deze helaas nu niet meer levende legende zou zijn geweest, had ik meteen aan deze scène van Jiskefet gedacht, waarbij een register aan associaties zich zou hebben opgedrongen. Dit behoeft misschien enige uitleg: op de eerste plaats hebben mensen van mijn generatie Coen Moulijn nu eenmaal nooit zien voetballen (hij is gestopt in 1972, ik ben geboren in 1980.) Maar op de tweede plaats zijn ze vaak wel opgegroeid met Jiskefet. De meesten kennen Debiteuren/Crediteuren, de Lullo’s en waarschijnlijk het hier aangehaalde filmpje ook wel. Het bekijken van dat laatste filmpje kan vreemde gevolgen hebben. Het is een realiteit gebaseerd op een beeld uit de media. Postmoderne filosofie in uitvoering: de franse filosoof Jean Baudrillard noemt dit verschijnsel ‘hyperrealiteit’: de manier waarop wij de werkelijkheid beleven is slechts een kopie van de fysieke werkelijkheid. En het klinkt misschien vergezocht, maar het heeft voor mij alles met de naam Coen Moulijn te maken. Misschien ben ik daar niet de enige in en als dat wel zo is doet het er verder ook niet toe. Want waar het om gaat is dat in dit jiskefetfilmpje een gevoel van nostalgie gepresenteerd wordt door middel van een afspiegeling, een uitvergroting eigenlijk, van het nostalgiegevoel van de makers van Jiskefet. In ieder geval een gevoel van nostalgie dat zij over willen brengen door middel van dit voetbalfilmpje. Waar wij, mensen van beneden de -pakweg- vijftig naar kijken, is een humoristische interpretatie van een door ons niet-gekende, dus onbekende realiteit. Niet alleen onbekend in filosofische zin, maar ook letterlijk onbekend, simpelweg omdat we het hier getoonde tijdperk nooit hebben meegemaakt. De makers van Jiskefet waarschijnlijk wel. Zij vergroten daarvan bepaalde facetten uit, die onthouden wij weer en in onze onbetrouwbare herinnering vergroten we die vervolgens op onze beurt ook weer uit. In mijn herinnering was de gesproken tekst in het filmpje veel overdrevener aangezet met een Polygroon-journaalaccent. Een vorm van hyperrealiteit, een afspiegeling van een realiteit die misschien nooit heeft bestaan. Een gevoel van nostalgie bij een tijd die we, als we er bij stilstaan, nooit hebben meegemaakt en door allerlei redenen niet kennen, en toch ook weer wel. Dat is het eerste wat me te binnen schiet bij het horen van de naam Coen Moulijn. Vandaar de verwarring. Moge hij rusten in vrede.